Enkele gedachten over 'mis-intenties'
In de Achterhoek, ook in onze eigen parochie, worden nog steeds
veel mis-intenties opgegeven: lange lijsten met gebeds-intenties en
vooral met namen van gestorven dierbaren worden in het parochieblad
gepubliceerd en in de (eucharistie)vieringen vóórgelezen. 'n Mooi
gebruik in onze Kerk. Maar toch, al die namen van al die
overledenen, dat is niet voor iedereen even begrijpelijk. Daarom
enkele achtergronden. Bij mis-intenties spelen een aantal
verschillende motieven een rol.
Allereerst een oud motief: de kerk is een gemeenschap van
levenden én doden. In gebed blijven mensen met elkaar verbonden,
óók over de grens van de dood heen. In gebed brengen wij de naam
van een dierbare overledene dode vóór het aangezicht van de Heer.
Wij vragen daarbij dat de gestorvene tot voltooiing mag komen in
het 'Huis van de Vader'.
Maar er is ook nog een andere insteek, namelijk: het levend
houden van een naam in onze geloofsgemeenschap. In de kerk waar de
gestorven dierbare zijn/haar geloof heeft gevierd, wordt zó ook
zijn/haar naam steeds in herinnering gebracht. Bidden om een
definitief thuiskomen in het Hemels Vaderhuis én om het levend
houden van een naam, dat zijn voor gelovige katholieken redenen om
mis-intenties op te geven. Wij geloven wél dat uiteindelijk de
goede God zelf zijn mensen 'ophemelt' maar ondertussen mogen wij
uiteraard de namen van onze lieve en dierbare doden bij de Heer
aanbevelen en onder elkaar levend houden.
Daarnaast is het nog steeds een goed en vroom gebruik om ook
voor andere intenties dan overledenen een mis te laten lezen. We
bidden ook Uit dankbaarheid bij een huwelijksjubileum, voor het
welslagen van een operatie, om voorspoedig herstel van een ernstig
zieke, voor een zekere intentie of om zegen over een gezin. Ook dat
zijn veelvoorkomende misintenties. Wanneer mensen de moed hebben er
een gebedsintentie van te maken kan de kracht van het geloof beter
tot steun zijn.
Tenslotte maken de vergoedingen voor mis-intenties het ook
financieel mogelijk dat de plaatselijke geloofsgemeenschap dóór kan
blijven gaan met liturgie, verkondiging en diakonie. Zo blijft het
voor de gelovigen mogelijk om (in de kerk) samen te komen voor de
ere-dienst en de beleving van het katholieke geloof in mooie en
moeilijke tijden. Want de inkomsten die verkregen zijn door
mis-intenties, komen direct ten goede aan de eigen parochie, die
daar haar activiteiten van mogelijk kan maken. Het houdt de
geloofsgemeenschap in stand.
Zo kunnen we met elkaar -terwijl we denken aan hen die ons
vóórgingen- ook zorgen voor hen die ná ons komen: verleden, heden
en toekomst, van ons en onze kerk, ze liggen dichterbij dan je
denkt.
F. G. Hogenelst, pastoor