De Ariëns-lezing door pastoor Henri ten Have

Op de parochieavond van donderdag 23 mei jl. gaf pastoor Henri ten Have in de Christus Koningkerk in Vorden een lezing over monseigneur Alphons Ariëns. Henri ten Have stelde eerst zichzelf voor: hij is pastoor van de Zalige Titus Brandsmaparochie in de regio Wageningen. Hij schreef een biografie over Alphons Ariëns, is lid van het Ariëns-Comité en ook vice-postulator van het zaligverklaringproces van Mgr. Alphons Ariëns.

Aan de hand van met een beamer geprojecteerde foto’s vertelde Henri ten Have de levensgeschiedenis van de beroemde pastoor. Alphons Ariëns werd in 1860 in Utrecht geboren en was van goede komaf. Maar al in zijn vroege jeugd werd hij getroffen door de armoe en sociale ongelijkheid in zijn stad. Toen Alphons tien jaar oud was ging hij naar het gymnasium van Rolduc in Zuid-Limburg. Op het gymnasium was hij een uitblinker. Na zijn eindexamen besloot hij om priester te worden, daarvoor studeerde hij eerst twee jaar filosofie. Daarna, in 1878, ging hij naar grootseminarie Rijsenburg bij Utrecht. Daar had de sociaal betrokken professor Schaepman veel invloed op hem. In 1882 volgde de priesterwijding en van 1882 tot 1886 studeerde Alphons Ariëns in Rome. In Italië kwam hij in aanraking met de nieuwste stroming binnen de theologie, het neothomisme. Ook reisde hij veel in het land. Zo ontmoette hij kinderen die onder erbarmelijke omstandigheden in de Siciliaanse zwavelmijnen werkten. Daarnaast kwam hij in aanraking met de theologie van de heilige Franciscus van Assisi en die van Don Bosco. Die laatste leerde hij persoonlijk kennen. Door hem raakte hij gefascineerd door Paulus’ spreuk caritas Christi urget nos (de liefde van en door Christus zet ons aan). Dit zou zijn levensmotto worden. Ariëns werd lid van de Derde Orde van Franciscus. Na zijn verblijf in Italië werd hij van 1886 tot 1901 kapelaan in Enschede. Ook daar werd hij weer geconfronteerd met de slechte leefomstandigheden van de arbeiders, ditmaal in de textielindustrie. Er was bovendien veel criminaliteit en drankmisbruik in de Twentse stad. Kerkelijke liefdadigheid was niet toereikend om de problematiek te bestrijden. Daarom richtte Ariëns een katholieke arbeidersvereniging op. Deze beweging was gematigder dan de socialistische bewegingen en kon op zeker moment ook bemiddelen in een hoogopgelopen conflict tussen radicale vakbonden en werkgevers. Dit zorgde ervoor dat Ariëns een nationale beroemdheid werd.

In 1891 kreeg zijn inzet voor de arbeiders ook steun vanuit Rome. Paus Leo XIII publiceerde in dat jaar de encycliek Rerum Novarum, waarin wordt opgekomen voor de rechten van de arbeider. Naast zijn inzet voor betere sociale omstandigheden voor de arbeiders richtte Ariëns ook een krant op, organiseerde hij culturele faciliteiten en werd de bestrijding van alcoholmisbruik een tweede belangrijk actiepunt voor hem. Toen een aantal arbeiders werd ontslagen zette hij zelfs een nieuwe fabriek op waarin deze weer aan de slag konden. In 1901 werd Ariëns overgeplaatst naar onze contreien. Hij werd aangesteld als pastoor in Steenderen, waar hij tot 1908 zou blijven. Hier ging zijn bestrijding van het drankmisbruik verder en maakte hij zich sterk voor betere lonen voor boerenknechten. In zijn strijd voor meer sociale rechtvaardigheid kreeg hij overigens veel tegenwind vanuit het integralisme, een reactionaire stroming binnen de Katholieke Kerk. In de Maasbode werd zijn werk hevig bekritiseerd door deze stroming. Toch kreeg hij uiteindelijk ook veel waardering. In 1919, toen hij in Maarssen pastoor was, werd hij door het Vaticaan tot Geheim Kamerheer van Benedictus XV benoemd, waardoor hij de titel monseigneur mocht dragen.

Henri ten Have wees erop dat we niet moeten denken dat Ariëns iemand was die alleen oog had voor de sociale en materiële aspecten van het leven. Hij was boven alles een man van gebed en mystiek. Alles wat hij deed op maatschappelijk gebied kwam voort uit zijn liefde voor Christus. Hij zag zijn sociale werk als een voorwaarde om mensen tot God te laten komen. Dat blijkt ook op het eind van zijn leven als hij gefascineerd raakt door het contemplatieve leven van Theresia van Lisieux.

Na afloop van de interessante lezing konden er nog vragen worden gesteld vanuit het publiek. Pastoor Ten Have ging daarbij verder in op het zaligverklaringproces van Ariëns, waarvoor hij zich sterk maakt. Na een hartelijk applaus vroeg Huub Winkeler Henri ten Have of hij door Ariëns geen geheelonthouder was geworden. Dat bleek niet het geval, waarna Huub hem een fles wijn overhandigde. Achterin de kerk lagen boeken over Ariëns die gekocht konden worden en uiteraard kon er na de lezing nog nagepraat worden onder het genot van een hapje en een drankje.