Een avond over Huub Oosterhuis

Doordat hij op donderdag 17 oktober op strikt doktersadvies thuis moest blijven, werd het niet de avond mét, maar de avond óver Huub Oosterhuis. Kees Kok, theoloog en al meer dan 55 jaar de rechterhand van Huub Oosterhuis, verving hem op een fenomenale wijze. Kees Kok (1948) ging in 1980 met Huub Oosterhuis samenwerken in de door hen opgerichte Stichting Leerhuis & Liturgie en werd lid van het liturgisch team van de Amsterdamse Studentenekklesia. Hij produceerde tientallen cd’s en verspreidde het almaar groeiende liedrepertoire via ‘lieddagen’ in Nederland en Vlaanderen, en ook in Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk, waartoe hij met anderen een groot deel van Oosterhuis’ teksten in het Duits vertaalde. Van zijn hand verschenen talrijke artikelen over theologie, liturgie, kerkmuziek, recente kerkgeschiedenis, de islam en uiteenlopende politieke onderwerpen. Ook schreef hij een aantal boeken waaronder ‘De vleugels van een lied’ over de liturgische poëzie van Huub Oosterhuis (Ambo, Baarn 1990).  

Nadat Wim Boelens, de organisator van deze avond, de hoop had uitgesproken dat de bijna 300 aanwezigen zich in de Lochemse Gudulakerk thuis zouden voelen en nadat hij Antoine Oomen (componist van liederen van Huub Oosterhuis), Heleen Oomen (dochter van Antoine) en Gert Boersma (cantor-organist) had geïntroduceerd, kreeg Kees Kok het woord. Kees: “Nee, ik ben niet Huub Oosterhuis. En dat is maar goed ook, anders was ik mezelf niet. Voordeel is dat ik na al die jaren veel over hem en zijn teksten en over de betekenis ervan kan zeggen wat hij zelf niet zo gauw in de mond zou nemen. Ik zal proberen om de liederen van vanavond bij en aan elkaar te praten en te laten zien hoe zij in elkaar grijpen en samen getuigen van het Grote Verhaal van de Bijbelse geloofstraditie, een traditie die ooit in Israël begon met Mozes en de Profeten, en die via Jezus en Paulus tot ons kwam. Tot hier, tot Lochem.”    Kees vervolgde: “Er gebeurt heel veel in de liederen van Huub. Ik zing ze nu al 55 jaar en ontdek elke dag wel iets nieuws. Het is alsof ze ons altijd een stap voor zijn. Het zijn geen brave na-vertellingen van Bijbelverhalen, ze bieden geen dogma op rijm, geen vrome rijmelarij. Het zijn gedichten, het is Bijbelse, liturgische poëzie. Ze zijn ontstaan vanuit een zeer aandachtig luisteren naar Psalmen en profeten. Ze willen niet alleen maar mooi gezongen worden. Ze vragen om een zelfde aandacht, ze willen verstaan, gekend en geliefd worden.”  Als eerste werd gezamenlijk het lied ‘Zomaar een dak’ gezongen, een lied over de plaats waar we deze avond bijeengekomen zijn en waarin we vragen of dit huis de komende uren al zingend ‘een levend lichaam’ mag worden, met ‘muren van huid en ‘ramen als ogen, speurend naar hoop en dageraad’.  

Op prachtige en hartroerende wijze praatte Kees de liederen aaneen. Zo ging hij na het eerste lied verder met: “Als wij onder ‘zomaar een dak’ bijeenkomen, laten wij deze wereld niet zomaar voor een uurtje achter ons. We blijven met twee benen op de grond, op deze aarde en verplaatsen ons niet naar een andere werkelijkheid, een hogere, hemelse. We nemen deze wereld er juist in mee om onze houding er tegenover en onze taak erin te overwegen. De God van de Bijbel keert zich niet af van deze wereld. Hij hoort, ziet wat er gebeurt en daalt met zijn woord in mensen af om hen aan te zetten tot daden van bevrijding. Hij stuurt mensen naar mensen in nood. Maar wie het dagelijkse nieuws over deze wereld volgt, kan gemakkelijk verdoofd raken en schamper worden: ach, zo is de wereld nu eenmaal. Maar onder
het dak waar wij bijeenkomen, proberen wij die verdoving en die schamperheid van ons af te schudden. In de ‘eredienst’ moeten de ‘verworpenen der aarde’, ‘de minste mensen’, de slachtoffers, de doden ter sprake komen, in gedachtenis, in ere worden gehouden. En moeten wij leren geloven dat: ‘geluk zal wedervaren aan wie verworpen waren’.” Deze boodschap kwam naar voren in het door Heleen Oomen voorgezongen lied ‘Verdoofd en schamper’.   

In totaal werden elf liederen van Huub Oosterhuis gezongen: zes werden er samen gezongen, vijf door Heleen met Antoine aan de vleugel. Het voor velen als mooist gekwalificeerde kerklied ‘Licht dat ons aanstoot in de morgen’ en het bekende ‘Zolang er mensen zijn op aarde’ ontbraken niet. Het door Heleen gezongen lied ‘Goed is dat je niet doet wat slecht is’, Psalm 1 uit het nieuwe Psalter van Huub Oosterhuis, is volgens Kees in al zijn eenvoud geniaal. En over het laatste lied dat samen gezongen werd, het bekende en geliefde ‘De Steppe zal bloeien’, zei Kees: “Dit lied bezingt, nee zingt zélf het visioen dat sinds Bijbelse tijden een lichtend spoor trekt door het schemerdonker van de geschiedenis. Het lied is van a tot z opgebouwd uit Bijbelse beelden. En de muziek is beeld en gelijkenis van de tekst, een waterval van noties en noten, waarmee we organist Gert Boersma veel sterkte wensen.”

In zijn slotwoord dankte Wim Boelens de mensen die ondanks de persoonlijke afwezigheid van Huub Oosterhuis toch gekomen waren. Hij vertrouwde de aanwezigen toe dat Huub Oosterhuis zo mogelijk op een later tijdstip alsnog naar Lochem komt. Aan de uitnodiging om na afloop onder het genot van een glaasje wijn of fris nog even te blijven napraten, werd door velen gehoor gegeven. Dat gold ook voor het verzoek voor een bijdrage in de kosten. De opbrengst van de collecte ging, na aftrek van de kosten, naar de Stichting Huub Oosterhuis Fonds dat zorgdraagt voor de verspreiding en behartiging van het gedachtengoed en oeuvre van Huub Oosterhuis.

Gerrit te Vaarwerk