Lezingen zondag 27 december

Eerste lezing Genesis 15,1-6; 21,1-3
In die dagen klonk het woord van de Heer in een visioen tot Abram: ‘Gij moet niet vrezen, Abram, Ik zal uw schild zijn. Uw loon zal zeer groot zijn!’ Toen zei Abram: ‘Heer God, wat baten mij uw gaven? Want ik blijf maar kinderloos en de Damasceen Eliëzer zal de bezitter van mijn huis worden. Ge hebt mij toch geen nakomelingen geschonken, en een onderhorige zal mijn erfgenaam zijn.’ Toen werd het woord van de Heer tot hem gericht: ‘Niet hij wordt uw erfgenaam; uw erfgenaam zal iemand zijn die gij zult verwekken.’ Hij leidde hem naar buiten en zei: ‘Kijk naar de hemel en tel de sterren, als ge kunt.’ En Hij verzekerde hem: ‘Zo talrijk wordt uw nageslacht.’ Abram geloofde de Heer en deze rekende hem dat als gerechtigheid aan.
De Heer begunstigde Sara, zoals Hij gezegd had, en vervulde de belofte die Hij haar gedaan had. Sara werd zwanger en schonk Abraham op zijn oude dag een zoon, op het tijdstip dat God genoemd had. Abraham gaf aan de zoon die hem geboren werd en die Hem door Sara werd geschonken de naam Isaak.

Tweede Lezing Hebreeën 11,8.11-12.17-19
Broeders en zusters, door het geloof heeft Abraham gehoor gegeven aan de roeping van God, en ging hij op weg naar een land dat bestemd was voor hem en zijn erfgenamen. Door het geloof heeft ook Sara, ofschoon haar tijd al lang voorbij was, de kracht tot vruchtbaarheid ontvangen, want zij wist dat Hij die belofte had gedaan, zijn woord zou houden. Daarom is dan ook aan één man, en nog wel in zijn hoge ouderdom, een nageslacht gegeven talrijk als de sterren aan de hemel, ontelbaar als de zandkorrels aan het strand van de zee. Door het geloof heeft Abraham, toen hij op de proef gesteld werd, Isaak ten offer gebracht. Hij die de beloften had ontvangen stond op het punt zijn enige zoon te offeren, de zoon van wie hem gezegd was: ‘Alleen zij die van Isaak afstammen, zullen gelden als uw nageslacht.’ Want Abraham was ervan overtuigd dat God zelfs de macht heeft om doden ten leven te wekken; en uit de dood heeft hij, om zo te zeggen, zijn zoon ook teruggekregen.

Evangelie Lucas 2,22-40 (of 22.39-40)
Toen de tijd aanbrak waarop Maria en het Kind volgens de Wet van Mozes gereinigd moesten worden, brachten zijn ouders Jezus naar Jeruzalem om Hem aan de Heer op te dragen, volgens het voorschrift van de Wet des Heren: elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht moet aan de Heer worden toegeheiligd, en om volgens de bepaling van de Wet des Heren een offer te brengen, namelijk een koppel tortels of twee jonge duiven. Nu leefde er in Jeruzalem een zekere Simeon, een wetgetrouw en vroom man die Israëls vertroosting verwachtte, en de heilige Geest rustte op hem. Hij had een godsspraak ontvangen van de heilige Geest dat de dood hem niet zou treffen voordat hij de Gezalfde des Heren zou hebben aanschouwd. Door de Geest gedreven was hij naar de tempel gekomen. Toen de ouders het kind Jezus daar binnenbrachten om aan Hem het voorschrift der Wet te vervullen, nam ook hij het kind in zijn armen en verkondigde Gods lof met de woorden: ‘Uw dienaar laat gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan: mijn ogen hebben thans uw Heil aanschouwd dat Gij voor alle volken hebt bereid; een licht dat voor de heidenen straalt, een glorie voor uw volk Israël.’ Zijn vader en moeder stonden verbaasd over wat van Hem gezegd werd. Daarop sprak Simeon over hen een zegen uit en hij zei tot Maria, zijn moeder: ‘Zie, dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt, opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden; en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord.’ Er was ook een profetes, Hanna, een dochter van Fanuël, uit de stam van Aser. Zij was hoogbejaard en na haar jeugd had zij zeven jaren met haar man geleefd. Nu was zij een weduwe van vierentachtig jaar. Ze verbleef voortdurend in de tempel en diende God dag en nacht door vasten en gebed. Op dit ogenblik kwam zij naderbij, dankte God en sprak over het kind tot allen die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten. Toen zij alle voorschriften van de Wet des Heren vervuld hadden keerden zij naar Galilea, naar hun stad Nazaret terug. Het kind groeide op en nam toe in krachten; het werd vervuld van wijsheid en de genade Gods rustte op Hem.