Lezingen en liedteksten zondag 7 februari

Openingslied: De dag gaat open (GvL 584)
De dag gaat open voor het Woord des Heren,
zon die wij zoeken, kracht die wij ontberen,
bron die wij horen als wij tot Hem keren,
vroeg in de morgen.

Voor wij bestonden, riep Hij ons bij name,
voor wij ontwaakten en ter wereld kwamen,
zag Hij ons aan en bracht Hij ons tesamen,
God onze Vader.

Door U geschapen om uit U te leven;
hartslag en adem hebt Gij ons gegeven,
land waar wij wonen, licht waarnaar wij streven
oorsprong en toekomst.

Wilt Gij vandaag en tot het eind der dagen
ons doen en laten zuiveren en dragen,
dan stijgt de vreugde van uw welbehagen
in onze wereld.

Aan U ons loflied: glorie aan de Vader,
dank aan de Zoon die ons bestaan aanvaardde,
zijn Geest geleide ons en onze aarde
naar de voltooiing.

Eerste lezing Job, 7, 1-4. 6-7
Job sprak: Moet de mens niet zwoegen op aarde, dagen maken van een dagloner? Hij snakt naar schaduw, ziet verlangend uit naar betaling. Zo ken ik vruchteloze maanden en nachten lang van getob. ‘s Avonds denk ik: wanneer wordt het morgen? en ‘s morgens: wanneer wordt het avond? En zolang het licht is ben ik ziek van onrust. Mijn dagen verschieten sneller dan een weversspoel, ze lopen af, de draad is ten einde. Bedenk dat mijn leven een ademtocht is, dat mijn ogen het geluk niet meer zullen zien.

Tussenzang Psalm 146
Refrein
Een loflied voor de Heer, heel mijn leven,
Een psalm tot het laatst voor mijn God.

Hij die recht doet aan de verdrukten, brood geeft aan wie hongerig zijn.

Refrein
Een loflied voor de Heer, heel mijn leven,

De Heer die de geboeiden bevrijdt, de Heer, die de blinden weer zien doet.

Refrein
Een psalm tot het laatst voor mijn God.

De Heer heerst tot in eeuwigheid, ùw God,
Sion, geslacht op geslacht.

Refrein
Een loflied voor de Heer, heel mijn leven,
Een psalm tot het laatst voor mijn God.

Tweede lezing 1 Kor. 9, 16-19 + 22-23
Broeders en zusters. Dat ik het evangelie predik is voor mij geen reden om te roemen: ik kan niet anders. Wee mij als ik het evangelie niet verkondig! Deed ik het uit eigen beweging dan had ik recht op loon; maar zo is het niet: het is een taak die mij is toevertrouwd. Wat is dan mijn verdienste? Dat ik het evangelie kosteloos verkondig en geen gebruik maak van het recht aan de prediking verbonden. Van allen onafhankelijk, heb ik mij de slaaf van allen gemaakt om er zoveel mogelijk voor Christus te winnen. Met de zwakken ben ik zwak geworden om de zwakken te winnen. Alles ben ik voor allen om er tot elke prijs enkelen te redden. En ik doe alles voor het evangelie om er ook zelf deel aan te krijgen.

Halleluja, halleluja.

Uw woorden, Heer, zijn geest en leven
Gij hebt woorden van eeuwig leven.

Halleluja, halleluja.

Evangelie Mc. 1, 29-39
In die tijd toen Jezus uit de synagoge kwam ging Hij met Jakobus en Johannes naar het huis van Simon en Andreas. De schoonmoeder van Simon lag met koorts te bed; zij spraken Hem aanstonds over haar. Hij ging naar haar toe, pakte ze bij de hand en deed haar opstaan; zij werd vrij van koorts en bediende hen. In de avond, na zonsondergang, bracht men allen die lijdend of bezeten waren bij Hem. Heel de stad stroomde voor de deur samen. Velen die aan allerhande ziekten leden genas Hij en Hij dreef tal van geesten uit, maar Hij liet niet toe dat de boze geesten spraken, omdat zij Hem kenden. Vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf zich naar een eenzame plaats waar Hij bleef bidden. Simon en diens metgezellen kwamen Hem achterop en toen ze Hem gevonden hadden zeiden ze: “Iedereen zoekt U.” Hij antwoordde hun: “Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen in de omtrek, opdat Ik ook daar kan prediken. Daartoe immers ben Ik uitgegaan.” Hij trok door heel Galilea, predikte in hun synagogen en dreef de boze geesten uit.

Heilig

Lam Gods

Slotlied: Vernieuw Gij mij
Vernieuw Gij mij, o eeuwig licht!
God, laat mij voor uw aangezicht,
geheel van U vervuld en rein,
naar lijf en ziel herboren zijn.

Schep, God, een nieuwe geest in mij,
een geest van licht, zo klaar als Gij,
dan doe ik vrolijk wat Gij vraagt
en ga de weg, die U behaagt.

Wees Gij de zon van mijn bestaan,
dan kan ik veilig verder gaan,
tot ik U zie, o eeuwig licht,
van aangezicht tot aangezicht!