Lezingen zondag 21 februari 1e zondag in de veertigdagentijd

Eerste lezing  Gen., 9, 8-15

Het verbond van God met Noach, die gespaard bleef  van de wateren van de zondvloed.
Dit zei God tot Noach en zijn zonen: „Nu ga ik mijn verbond aan met u en met uw nageslacht en met alle levende wezens die bij u zijn, met de vogels en de viervoetige dieren, met alle dieren van de aarde die bij u zijn, met al wat uit de ark is gekomen, al het gedierte van de aarde. „Ik ga met u een verbond aan dat nooit meer enig levend wezen door het water van de vloed zal worden uitgeroeid en dat er zich nooit meer een vloed zal voordoen om de aarde te verwoesten.” En God zei: „Dit is het teken van het Verbond dat ik instel tussen mij en u en alle levende wezens die bij u zijn, voor alle geslachten. „Ik zet mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen mij en de aarde. „Wanneer ik op de aarde de wolken samenpak en de boog in de wolken zichtbaar wordt, dan zal ik denken aan het verbond tussen mij en u en alle levende wezens; alles wat leven heeft. „De wateren zullen nooit meer zwellen tot een vloed om al wat leeft te verdelgen.”

Tweede lezing 1 Petr., 3, 18-22

Gij zijt door het doopsel gelijkvormig geworden aan Christus.

Broeders en zusters, Christus is eens voor al gestorven voor de zonden – de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen – om ons tot God te brengen. Gedood naar het vlees werd Hij ten leven gewekt naar de geest. Zo ging Hij heen en predikte voor de geesten in de kerker, die eertijds, in de dagen dat Noach de ark bouwde, weerspannig waren geweest, terwijl God in zijn lankmoedigheid geduld oefende. In de ark bleven slechts enkelen, niet meer dan acht personen behouden te midden van het water. Dit was een voorafbeelding van het doopwater waardoor gij nu gered wordt. De doop beoogt niet de verwijdering van lichamelijke onreinheid maar de verbintenis met God van een goed geweten, krachtens de opstanding van Jezus Christus die ten hemel gevaren zetelt aan Gods rechterhand, nadat engelen en machten en krachten aan Hem onderworpen zijn.

Evangelie Mc., 1, 12-15

Hij werd door de Satan op de proef gesteld  en de engelen bewezen Hem hun diensten.

In die tijd dreef de Geest Jezus naar de woestijn. Veertig dagen bracht Hij in de woestijn door, terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld. Hij verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen Hem hun diensten. Nadat Johannes was gevangen genomen ging Jezus naar Galilea en verkondigde Gods Blijde Boodschap. Hij zei: „De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap.”