Lezingen zondag 28 maart

Zesde zondag in de veertigdagentijd, palmzondag

Evangelie van de intocht Marcus 11, 1-10
Toen Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem naderden, in de richting van Bétfage en Betánië op de Olijfberg, zond Hij twee van zijn leerlingen uit met de opdracht: ‘Gaat naar het dorp, daar vóór u, en bij uw binnenkomst is het eerste dat ge zult vinden een veulen dat vastgebonden staat en waarop nog nooit iemand gezeten heeft; maakt dat los en brengt het hier. En als iemand u de aanmerking maakt:
Wat doet ge daar?, antwoordt dan: De Heer heeft het nodig maar Hij stuurt het spoedig weer hier terug.’ Zij gingen weg en vonden een veulen vastgebonden aan een deur buiten op straat. Ze maakten het los, maar sommige mensen die daar in de buurt stonden riepen hun toe: ‘Wat doet ge daar, om zo maar dat veulen los te maken?’ Ze antwoordden zoals Jezus hun had gezegd en de mensen lieten hen ongemoeid. Ze brachten het veulen bij Jezus, legden er hun mantels overheen en Hij ging erop zitten. Velen spreidden hun mantels op de weg uit, anderen groene takken die ze in het veld gehakt hadden. De mensen die Hem omstuwden, jubelden: ‘Hosanna; gezegend de Komende in de naam des Heren; geprezen het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in den hoge!’

Eerste lezing: Jesaja 50,4-7
God de Heer heeft mij de gave van het woord geschonken; ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken. Elke morgen spreekt Hij zijn woord, elke morgen richt Hij het woord tot mij en ik luister met volle overgave. God de Heer heeft tot mij gesproken en ik heb mij niet verzet, ik ben niet teruggedeinsd.
Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten, en mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en mij bespuwden. God de Heer zal mij helpen: daarom zal ik niet beschaamd staan en zal ik geen spier vertrekken. Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden.

Lijdensverhaal volgens Marcus 15,1-39
P: De Heer zij met u
A: En met u geest
P: Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
A: Lof zij U, Christus
( J = Christus; V = verteller/evangelist; P = overige bijbelse personen;
A = allen)

V: Jezus en zijn leerlingen kwamen nu aan een landgoed dat Gétsemane heette.
Daar zei Hij tot zijn leerlingen:
J: ’Blijft hier zitten terwijl Ik bid.’
V: Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en begon zich ontsteld en beangst te gevoelen. Hij sprak tot hen:
J: ’Ik ben bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt.’
V: Nadat Hij een weinig verder was gegaan wierp Hij zich ter aarde en bad dat dit uur, als het mogelijk was, aan Hem mocht voorbijgaan.
J: ‘Abba, Vader,’
V: – zo bad Hij –
J: ‘voor U is alles mogelijk; Iaat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet wat Ik, maar wat Gij wilt.’
V: Toen ging Hij terug en vond hen in slaap; en Hij sprak tot Petrus:
J: ‘Simon, slaapt ge? Ging het dan uw krachten te boven één uur te waken? Waakt en bidt dat gij niet op de bekoring ingaat. De geest is wel gewillig maar het vlees is zwak.
V: Opnieuw verwijderde Hij zich en bad met dezelfde woorden. En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap want hun oogleden waren zwaar; ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden. Toen Hij voor de derde maal terugkwam sprak Hij tot hen:
J: ‘Slaapt dan maar door en rust uit. Het is zover, het uur is gekomen; zie, de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de zondaars. Staat op, laten we gaan: mijn verrader is nabij.’
V: Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam Judas, een van de twaalf, vergezeld van een bende met zwaarden en knuppels,
gestuurd door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten. Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeggen:
P: ‘Die ik zal kussen Hij is het; grijpt Hem vast en voert Hem onder strenge bewaking weg.’
V: Hij ging recht op Jezus af en zei:
P: ‘Rabbi!’
V: En hij kuste Hem. Zij grepen Hem en maakten zich van Hem meester. Maar een van die er bij stonden trok zijn zwaard en sloeg met één houw de knecht van de hogepriester het oor af. Daarna richtte Jezus zich tot hen met de woorden:
J: ‘Als tegen een rover zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels om Mij gevangen te nemen. Dagelijks gaf Ik onderricht bij u in de tempel en toch hebt ge Mij niet gegrepen.
Maar zo moesten de Schriften in vervulling gaan.’
V: Toen lieten allen Hem in de steek en namen de vlucht. Toch ging een jongeman die een linnen doek om het blote lichaam had geslagen Hem achterna. Ze grepen hem, maar hij liet zijn kleed in de steek en vluchtte naakt weg. Men bracht Jezus naar de hogepriester, waar alle hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden bijeenkwamen. Petrus volgde Hem op een afstand tot op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester en nam plaats onder het dienstvolk om zich bij het vuur te warmen. De hogepriesters en het hele Sanhedrin zochten naar een getuigenis tegen Jezus om Hem ter dood te kunnen brengen, maar zij vonden er geen. Wel brachten velen valse getuigenissen tegen Hem in maar hun getuigenissen stemden niet overeen. Toen traden enige valse getuigen tegen Hem op die verklaarden:
A: ‘Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden is gemaakt.’
V: Maar ook daaromtrent was hun getuigenis niet eensluidend. Toen stond de hogepriester in hun midden op en hij vroeg aan Jezus:
P: ‘Geeft Ge in het geheel geen antwoord? Wat getuigen deze mensen tegen U ?’
V: Maar Jezus bleef zwijgen en gaf volstrekt geen antwoord. Daarop stelde de hogepriester Hem nog een vraag:
P: ‘Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?’
V: Jezus antwoordde:
J: ‘Ja, dat ben Ik: en gij zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht
en komen met de wolken des hemels.’
V: Toen scheurde de hogepriester zijn gewaad en riep uit:
P: ‘Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Ge hebt de godslastering gehoord. Wat dunkt u?’
V: Allen spraken het vonnis uit dat Hij de dood verdiende. Daarop begonnen sommigen Hem te bespuwen en, na zijn gelaat bedekt te hebben, Hem met de vuist te slaan terwijl ze zeiden:
A: ‘Wees nu eens profeet!’
V: Ook de knechten dienden Hem slagen toe. Terwijl Petrus zich beneden op de binnenplaats bevond kwam daar één van de dienstmeisjes van de hogepriester. Toen zij Petrus zag die zich zat te warmen, keek ze hem eens aan en zei:
P: ‘Jij was ook bij Jezus de Nazarener.’
V: Maar hij ontkende het:
P: ‘Ik weet niet, ik begrijp niet wat je bedoelt.’
V: En terwijl hij wegging naar het poortgebouw kraaide een haan. Maar toen het meisje hem daar opmerkte, verzekerde ze nog eens aan de omstanders:
A: ‘Die is er ook een van.’
V: Hij ontkende het opnieuw. Even daarna zeiden de omstanders op hun beurt tot Petrus:
A: ‘Waarachtig, jij bent er ook een van; je bent toch ook een Galileeër.’
V: Toen begon hij te vloeken en te zweren:
A: ‘Ik ken die man niet waarover jullie het hebben.’
V: Onmiddellijk daarop kraaide een haan voor de tweede keer. Nu herinnerde Petrus zich hoe Jezus tot hem gezegd had:
Voordat een haan tweemaal kraait, zult ge Mij driemaal verloochenen. En hij barstte in tranen uit.

V: In de vroege morgen kwamen zij tot een besluit: de hogepriesters met de oudsten en schriftgeleerden, heel het Sanhedrin. Zij boeiden Jezus, voerden Hem weg en leverden Hem uit aan Pilatus. Pilatus stelde Hem de vraag:
P: ‘Zijt Gij de koning der Joden?’
V: Hij antwoordde hem:
J: ‘Gij zegt het.’
V: Toen de hogepriesters vele beschuldigingen tegen Hem inbrachten ondervroeg Pilatus Hem weer en zei:
P: ‘Geeft Gij in het geheel geen antwoord? Zie eens wat voor beschuldigingen ze tegen U inbrengen.’
V: Maar Jezus gaf volstrekt geen antwoord meer, zodat Pilatus verbaasd was.

Nu was hij gewoon bij elk feest één gevangene vrij te laten, degene om wie zij vroegen.
Er zat juist een zekere Barabbas gevangen onder de oproermakers; zij hadden bij het oproer een moord begaan. Het volk kwam opzetten en begon te vragen dat hij voor hen zou doen zoals altijd. Pilatus antwoordde daarop met de vraag:
P: ‘Wilt ge dat ik de koning der Joden zal vrijlaten?”
V: Hij zag wel in dat de hogepriesters Hem uit nijd overgeleverd hadden. Maar de hogepriesters hitsten het volk op te vragen dat hij toch liever Barabbas moest vrijlaten.
Nu nam Pilatus weer het woord en vroeg hun:
P: ‘Wat moet ik dan doen met Hem die gij de koning der Joden noemt?’
V: Nu schreeuwden ze opnieuw:
A: ‘Kruisig Hem!’
V: Daarop vroeg Pilatus hun:
P: ‘Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?’
V: Maar zij schreeuwden nog harder:
A: ‘Kruisig Hem!’
V: Omdat Pilatus het volk zijn zin wilde geven liet hij Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en gaf Hem over om gekruisigd te worden. Nu brachten de soldaten Hem het paleis binnen, dat wil zeggen het pretorium, en riepen de hele afdeling bij elkaar. Ze hingen Hem een purperen kleed om, vlochten een doornenkroon en zetten Hem die op. Vervolgens gingen zij Hem het saluut brengen:
A: ‘Gegroet, koning der Joden.’
V: Zij sloegen Hem met een rietstok op het hoofd, bespuwden Hem en brachten Hem hulde door op de knieën te vallen. Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden ontdeden zij Hem van het purperen kleed, trokken Hem zijn eigen kleren aan en voerden Hem weg om Hem te kruisigen. Zij vorderden een voorbijganger die van het veld kwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, tot het dragen van zijn kruis. Zo brachten ze Hem naar de plaats Golgota, wat vertaald wordt met schedelplaats. Daar boden ze Hem met mirre gekruide wijn aan, maar Hij weigerde. Nadat ze Hem gekruisigd hadden verdeelden ze zijn kleren en dobbelden om wat ieder krijgen zou. Het was het derde uur toen ze Hem kruisigden. Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: De koning der Joden. Samen met Hem kruisigden ze ook twee rovers, de een rechts de ander links van Hem.
Zo ging in vervulling dit Schriftwoord: Hij is onder de booswichten gerekend. Voorbijgangers hoonden Hem terwijl ze het hoofd schudden en zeiden:
A: ‘Ha, Gij daar die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, kom van het kruis af en red U zelf.’
V: In dezelfde geest zeiden de hogepriesters en de schriftgeleerden spottend onder elkaar:
A: ‘Anderen heeft Hij gered maar zichzelf kan Hij niet redden. Die Messias, die koning van Israël, Iaat Hem nu van het kruis afkomen; dan zullen we zien en geloven!’
V: Zelfs die samen met Hem gekruisigd waren voegden Hem beschimpingen toe.
Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe.
En op het negende uur riep Jezus met luider stem:
J: ‘Eloï, Eloï, lama sabaktani! ’
V: Dit is vertaald: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
Enkele omstanders die het hoorden zeiden:
A: ‘Hoor, Hij roept Elia.’
V: Een van hen ging een spons halen, drenkte die in zure wijn, stak hem op een rietstok
en bood Hem te drinken terwijl hij zei:
P: ‘Laat me begaan! We willen eens zien of Elia Hem er af komt halen.’
V: Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.
Hier knielen allen gedurende enige tijd.
V: Toen scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder in tweeën.
De honderdman die tegenover Hem post had gevat en zag dat Hij onder zulke omstandigheden de geest had gegeven riep uit:
A: ‘Waarlijk, deze mens was een Zoon van God.’